De Wase Cuesta te Temse

vorige volgende
Geologie
Home Contacteer ons

 
De Oost-Sive Schouselbroekpolder ligt aan de voet van de Wase cuesta.
De samenstelling van de bodem en de waterhuishouding zijn voor een groot deel bepaald door het ontstaan van de cuesta en de onmiddellijke omgeving van het “cuestafront” .

ONTSTAAN VAN DE WASE CUESTA

In een sterke vereenvoudiging kunnen wij een viertal fasen onderscheiden :

1) OPBOUW VAN DE GEOLOGISCHE SOKKEL  (40 tot 10 miljoen jaar geleden) :


De plaats waar zich nu België bevindt was overstroomd door zee.
Eén van de eigenschappen van de zeebodem is dat er zich aldaar sedimentatie voordoet van in het water zwevende deeltjes (die via erosie van het land door rivieren worden aangevoerd).
De zwaarste (zand)deeltjes zetten zich dicht bij de kust af.
Omdat in de kuststreek het water woeliger is, kunnen de lichtere deeltjes niet bezinken. In de dieper gelegen gebieden is het veel rustiger, zodanig dat zij hier wel stilaan naar de bodem kunnen zakken en daar een compacte kleilaag vormen. Omdat de zee zich in een weerkerende beweging terugtrok om dan weer landinwaarts op te rukken, lagen onze contreien afwisselend in de ondiepe kuststrook en in de diepere gebieden van de zee. Hierdoor werden afwisselend lagen van zand en klei boven elkaar afgezet.
Als opeenvolgende lagen onderscheiden wij vooral (van onder naar boven) :
- Zanden van Kallo
- Boomse klei
- Zanden van Kattendijk.

2) OVERGANG VAN ZEE NAAR LAND :


De Afrikaanse “ tectonische plaat ” schoof langzaam noordwaarts en schoof onder de Europese plaat.
Hierdoor begon de Europese plaat te kantelen
(zuidelijke helft werd omhoog geduwd en daardoor begon de noordelijke helft weg te zakken).
Eén van de gevolgen daarvan is de Alpiene bergvorming. Een andere gevolg is dat de zee zich in noordwestelijke richting wegtrok en “wij” kwamen droog te liggen op een plateau die licht afhelde naar het noorden toe.
Hierop ontstonden rivieren die het oppervlaktewater naar de zee afvoerden.
Ter hoogte van onze contreien lag de zuidergrens van de “ permafrost ” .
Aangezien de rivieren hier niet door konden weken zij af, naar het westen toe.
(Het is pas een 15.000 jaar geleden dat de Durme en de Schelde hun huidige richting naar het oosten toe kregen).
Door de afvoer van het water naar de zee (die nog niet veel lager dan het land lag), ontstond er een ondiepe valleivorming in de bovenste (zand)laag. Dit noemt men de Vlaamse vallei.

3) DE VORMING VAN DE WASE CUESTA :


Tijdens het Kwartair, vanaf 2,5 miljoen jaar geleden, volgen ijstijden en tussenijstijden zich op.
Tijdens die ijstijden lag er zoveel ijs op de poolkappen, dat het water in zee 80 tot 100 meter beneden haar huidig niveau daalde ! Door het grote hoogteverschil van het water in de Vlaamse vallei en de zee ontstond er een snellere stroming van het water richting zee en een forsere, diepere insnijding in het landschap
(analoog met de erosie van wilde bergrivieren die sterk verschilt van die van kalmere rivieren in een vlak landschap).
Dit gebeurde vooral tijdens het Pleistoceen, het laatste deel van het Kwartair, 2 miljoen tot 150000 jaar geleden.
Hierdoor werd niet alleen de bovenste Kattendijkse zandlaag doorsneden, maar ook de daaronder gelegen Boomse kleilaag, om tenslotte de Zanden van Kallo aan te tasten.
Door de afhelling van het landschap van zuid naar noord gebeurde deze insnijding vooral aan de noordelijke kant van de Vlaamse vallei, zodanig dat vooral aan de noordzijde een zeer steile helling ontstond. Het cuestafront was geboren en ten noorden ervan de licht afhellende “cuestarug” .

4) OPVULLING VAN DE WASE CUESTA (30.000 tot 15.000 jaar geleden) :


Ingevolge krachtige noordenwinden werden de valleien gedeeltelijk opgevuld met zanderig materiaal. Door verstuiving verspreidde dit materiaal zich over de omgeving. De grotere en zwaardere zandkorrels werden niet ver verplaatst. De lichtere leemdeeltjes konden verder en hoger worden afgezet. Hierdoor komt het dat hoe hoger men gaat in Temse (en omgeving), hoe leemachtiger de bodem. Op lagere gedeeltes vindt men een meer zanderige bodem. Ondertussen begon het rivierstelsel ongeveer zijn huidige vorm te krijgen (Durme mondt uit in de Schelde en de Schelde vloeit noord - oostwaarts tot Nederland).
Omdat ook de zeespiegel terug gestegen was, hadden de rivieren niet meer de kracht om het landschap zwaar in te snijden en vinden wij ondiepe beddingen in de zandafzetting. In deze ondiepe beddingen vinden wij sedimentatie van veen, klei en zand terug. Het zijn vooral deze omstandigheden die het huidige uitzicht van onder andere de Schouselbroek - Oostsivepolder bepalen.

vorige volgende
Geologie
begin van deze pagina Home Contacteer ons

pagina aangepast op 01/10/2004